Klasse 3

Wörterlisten

Klasse 4

Online Übungen
Onderwijs in Duitsland
Written by Ingrid   

Onderwijs in Duitsland

Het Onderwijs in Duitsland, althans het reguliere onderwijs voor schoolkinderen en studenten, wordt in Duitsland in de meeste gevallen door overheidsinstanties georganiseerd. Het begint op zesjarige leeftijd en duurt tenminste tien jaar, dus totdat de leerlingen zestien zijn. De leerlingen worden op een leeftijd van tien jaar gescheiden en gaan naar scholen met verschillende niveaus.

In het algemeen scoren de zuidelijke deelstaten in nationale of internationale tests beter dan de noordelijke.

Primair onderwijs

Met drie jaar gaan kinderen normaliter naar der Kindergarten (kleuterschool), die niet als school wordt gezien. In het laatste jaar komen de kinderen voorzichtig in aanraking met schoolachtige activiteiten.

Het eigenlijke basisonderwijs gebeurt in die Grundschule (basisschool), die de meeste kinderen met een leeftijd van zes jaar, sommigen met zeven jaar beginnen. De Grundschule is verplicht voor alle kinderen en er wordt nog niet gescheiden naar niveaus.

Op de Grundschule blijven kinderen van klas 1 tot en met klas 4 (leeftijd 6-10j.) Een klas overdoen is ongebruikelijk. In de eerste twee jaren krijgen de kinderen (soms langer dan dat) nog geen cijfers, maar hun bekwaamheden en moeilijkheden worden in woorden opgeschreven. De docenten van de basisschool, Grundschullehrer, mogen in principe alle vakken onderwijzen. Meestal is er een Klassenlehrer (mentor) die de meeste vakken geeft.

 

Secundair onderwijs

Het voortgezet oftewel secundair onderwijs (die Sekundarstufe of der Sekundarbereich) begint met klas 5 (de telling gaat dus door); het wordt onderverdeeld in een Sekundarstufe I en een Sekundarstufe II. De eerste stopt met klas 10 en is, vereenvoudigd gezegd, voor alle kinderen verplicht (kinderen moeten in totaal tien jaar op school hebben gezeten), de tweede is voor de betere leerlingen en begint met een leeftijd van ongeveer zestien jaar. In de Sek. II heten de klassen die Jahrgangsstufe, omdat de leerlingen niet meer bij één klas horen. De Sek. II eindigt normaliter op een leeftijd van 18 jaar (vroeger 19 jaar), dus met Jahrgangsstufe 12.

In het laatste jaar van de Grundschule werd ernaar gekeken welk niveau een kind heeft en welk voortgezet onderwijs het aan kan. De mentorleraar heeft een belangrijk woord hierbij. Maar uiteindelijk is de beslissing, vanwege de vrijheid van schoolkeuze, aan de ouders.

Hauptschule

Die Hauptschule ontstond in 1964 als een opvolger van de Volksschule. Ze is praktisch georiënteerd en leidt toekomstige werkers en ambachtslieden op; er is alleen de Sekundarstufe I.

Critici vinden dat ze een opvangschool geworden is voor de 'rest', dus kinderen die op hogere schoolvormen niet geaccepteerd worden. De meeste kinderen komen uit arme families en / of hebben ouders die oorspronkelijk niet uit Duitsland komen. In Duitsland zijn dat vooral Turken, Russen en mensen uit het vroegere Joegoslavië. Veel ouders willen daarom hun kind niet naar de Hauptschule sturen.

De Hauptschule kan het best met het vmbo in Nederland worden vergeleken.

Realschule

Die Realschule komt voort uit de vroegere Mittelschule (of beter Mittelschulen, het was een verzamelbegrip en geen duidelijk schoolprofiel). Het gaat om kinderen uit de middenstand, die de kans hebben om de sociale ladder naar boven te klimmen, om een algemene vorming van een hoger niveau en de voorbereiding voor meer eisende beroepen. Er is alleen de Sekundarstufe I.

De Realschule biedt normaliter de Mittlere Reife. Met een tussenstop op de Fachoberschule is het Fachabitur mogelijk, dat met een Nederlands havo-diploma kan worden vergeleken. Daarmee is uiteindelijk ook de doorstroom naar een Fachgymnasium mogelijk, dat ook das Abitur kan geven en dus de mogelijkheid om naar een universiteit te gaan.

De Realschule heeft dus veel gemeen met het vmbo (theoretische leerweg) in Nederland.

Gymnasium

Sinds 1955 heten alle scholen, die als eigenlijk doel das Abitur hebben, das Gymnasium. Het Abitur is het toegangsbewijs voor de universiteit. Maar inmiddels zijn er ook andere mogelijkheden om het Abitur te verkrijgen.

Het Gymnasium heeft een Sekundarstufe I (klas 5-10, leeftijd 10-16 j.) en een Sekundarstufe II (Jahrgangsstufe 11-12, leeftijd 17-18 j.). Tot 1976 waren er drie soorten Gymnasium, een voor oude talen, een voor nieuwe talen en een natuurwetenschappelijk. Toen werd de Sekundarstufe II (oftewel Oberstufe) gereformeerd. De kinderen hebben in hun laatste twee jaren (dus de Oberstufe) geen klasseverband meer, maar kiezen cursussen (vakken). De resultaten van (vereenvoudigd gezegd) alle cursussen en van het eindexamen worden bij elkaar geteld en vormen dan de uiteindelijke Abiturnote.

Twee cursussen heten Leistungskurs en worden in twee keer zoveel uren onderwezen als gewone cursussen (Grundkurse). Twee andere cursussen worden gekozen als de andere twee eindexamenvakken naast de Leistungskurse. Op die manier kan een leerling een soort profiel samenstellen. Bij de keuze van de vier Abiturfächer (eindexamenvakken) en de rest van de cursussen gelden bepaalde regels, die per deelstaat kunnen verschillen. Het is bijvoorbeeld niet mogelijk om alle natuurwetenschappen of alle talen te ontwijken. Voor de latere keuze van studievakken maakt het formeel niet uit, welke Abiturfächer men heeft gehad; in de praktijk echter is het moeilijk om een vak te studeren dat men in de laatste schooljaren niet had gekozen.

Afhankelijk van de deelstaat gaat er zeker twintig tot dertig of zelfs meer procent van de kinderen naar een gymnasium. Het gymnasium kan dus het best met een havo/vwo-school in Nederland worden vergeleken, ook al krijgen alle Gymnasiasten normaliter het Abitur. Maar leerlingen kunnen de Oberstufe ook eerder verlaten; dat doen ze vaak nadat ze de cijfers voor een Fachabitur (Fachhochschulreife, een havo-diploma) hebben gehaald.

 

Gesamtschule

In 1968 kwam er de eerste Gesamtschule, namelijk in West-Berlijn, als antwoord op het schoolsysteem dat drieledig wordt genoemd (dreigliedriges Schulsystem, dus Hauptschule, Realschule, Gymnasium). Volgens de voorstanders moeten de goede leerlingen de zwakke leerlingen naar boven trekken, en kinderen uit verschillende sociale lagen moeten elkaar op school leren kennen. Tegenstanders vrezen dat leerlingen in klassen met grote niveauverschillen niet de juiste steun kunnen krijgen en dat de zwakke leerlingen de goede naar beneden trekken (zeker als ze in de meerderheid zijn).

De Gesamtschul-kwestie is een van de belangrijkste discussies over onderwijs in Duitsland. In de realiteit betekende het dat de oudere schoolvormen niet werden afgeschaft, maar dat er een vierde schoolvorm bij is gekomen. De Gesamtschule staat dus in concurrentie met andere schoolvormen en is daarom niet de school voor iedereen. In de praktijk gaan vooral slecht lerende kinderen uit arme families en sommige goed lerende kinderen van idealistische ouders naar een Gesamtschule.

In een Gesamtschule wordt geprobeerd om de kinderen zo laat als mogelijk qua niveau te scheiden. Vanaf een bepaalde leeftijd krijgen ze les in sommige vakken op twee verschillende niveaus (in de wandelgangen een Hauptschul- en een Realschul-niveau genoemd). Een leerling kan dus bijvoorbeeld Duits op het ene niveau en wiskunde op het andere krijgen. De rest van de vakken is identiek voor de gehele klas. Heel weinig van de kinderen - op een school van ongeveer duizend leerlingen misschien dertig of veertig - kunnen doorstromen naar de Sekundarstufe II en het Abitur halen.

 

Beroepsonderwijs

Naast of na de andere scholen is er een systeem van beroepsonderwijs, samenvattend vaak die Berufsschule genoemd (waarvan er verschillende soorten zijn). Meestal betekent dit dat de leerling sommige dagen van de week naar een bepaalde school gaat, met vakken voor de algemene vorming of vakken die betrekking op een bepaalde opleiding hebben. Op andere dagen van de week werkt hij of zij in een bedrijf. In Nederland heette dat het leerlingwezen.

Dit Duales System is vergeleken met andere landen op een hoog niveau en geldt als de trots van het Duitse onderwijs; daarom trekken de verdedigers van het systeem zich ook niets aan van de kritiek dat in Duitsland verhoudingsgewijs weinig leerlingen naar een school gaan die zich hogeschool mag noemen.

Tertiair onderwijs

Jonge mensen volgen vaak vanaf een leeftijd van 18 of 19 jaar tertiair onderwijs. De belangrijkste instellingen daarvoor zijn:

  • die Universität, waarvoor normaliter het Abitur (vwo-diploma) nodig is. In 2007 waren er in Duitsland 124 universiteiten, theologische en pedagogische hogescholen.
  • die Fachhochschule (FH), waarvoor het Abitur of het Fachabitur (havo-diploma) nodig is. In Nederland heeft men het over de hbo, in het Engels over een university of applied science. In Duitsland wordt het woord Hochschule trouwens samenvattend voor Universitäten en FHs gebruikt. Het woord Student is echter gebruikelijk alleen bij de universiteit, de leerling van een FH is der Fachhochschüler.
  • die Berufsakademie, die niet als Hochschule geldt. De helft van de tijd is de leerling in een bedrijf, vergelijkbaar met het Duale System van de Berufsschule. Er worden dezelfde toegangseisen als voor de FH gesteld.

 

Speciaal onderwijs

Leerlingen met een handicap of een soortgelijk probleem, dat het moeilijk maakt om in een gewone school (die Regelschule) te leren, kunnen naar die Sonderschule, die nu vaak die Förderschule heet (steun in plaats van speciaal). Voorbeelden zijn scholen voor doven, blinden, verstandelijk gehandicapten en anderen. Zoals in andere landen ook is er de discussie of deze leerlingen niet beter naar een gewone school moeten gaan. Dit is ook een kwestie van geld, omdat speciaal onderwijs duur is.

 

Andere scholen

Sommige scholen volgen een bepaald onderwijsconcept, zoals confessionele scholen of vrije scholen (in Duitsland Waldorfschule geheten). Ze krijgen (ook) geld van de overheid. Kostscholen komen in Duitsland minder vaak voor dan bijvoorbeeld in Engeland of de VS.

 

 

   
 
 
 
   
 
 
Template by Inspiration